Mijn blik op het onderwerp hoogbegaafdheid
Met enige regelmaat wordt er aan mij gevraagd hoe ik zelf tegen hoogbegaafdheid aankijk of welke definitie ik hanteer. Een leuke, maar ook lastige vraag om goed en snel te beantwoorden. Daarom ben ik er maar eens rustig voor gaan zitten om zo gedachten te ordenen en mijn blik op het onderwerp op papier te zetten.
Mijn zoektocht naar dit onderwerp begon zoals bij velen die ik nu spreek: in de persoonlijke sfeer kom je ermee in aanraking en je gaat zoeken op internet. Al gauw kom je dan bij lijstjes met kenmerken, persoonlijke visies en welbekende modellen zoals het zijnsluik van hoogbegaafdheid en het Delphi-model. Allemaal heel waardevol en herkenbaar, maar ook niet allemaal volledig toepasbaar op je eigen situatie. Zeker in de lijstjes met kenmerken van hoogbegaafdheid die overal te vinden zijn, zitten ook altijd kenmerken die je niet herkent bij jezelf of je kind en dat brengt je weer aan het twijfelen. Toch zit er in alle modellen ook veel gemeenschappelijks. Intelligentie bijvoorbeeld, zie je in de meeste modellen wel terug, echter niet altijd in een concreet cijfer zoals waar het ooit allemaal mee begonnen is: een IQ van 130 of hoger. Inmiddels ben ik heel wat jaren verder in deze zoektocht en ook wetenschappelijk opgeleid als ECHA-specialist hoogbegaafdheid met een eigen praktijk. Hierdoor zijn er inmiddels vele hoogbegaafde kinderen, jongeren, volwassenen, studenten, ouders op mijn pad gekomen. Met alle kennis op zak heb ik een eigen blik ontwikkeld, gebaseerd op wetenschap en praktijk(ervaring).
Als eerste wil ik onderscheid maken in verschillende kennisperspectieven op dit onderwerp: je hebt hoogbegaafde individuen die vanuit eigen ervaring een beeld hebben bij wat hoogbegaafdheid is. Vaak gekoppeld aan een manier van zijn met een diversiteit aan kenmerken die voor diegene van toepassing zijn. Vaak komt (hyper)gevoeligheid hier ter sprake, zoals bijvoorbeeld beschreven door Dabrowski of perfectionisme en de lat hoog leggen zoals het in het zijnsluik staat omschreven door Kieboom. Dit noem ik het ervaringsperspectief en kan heel waardevol zijn in 1 op 1 gesprekken omdat dit vaak over de kern van iemands identiteit gaat. Dit perspectief is echter niet altijd te generaliseren naar de hele groep hoogbegaafde mensen omdat de diversiteit binnen deze groep simpelweg te groot is. In Nederland, als we puur en alleen naar IQ>130 kijken, zijn dit er statistisch gezoen ongeveer 430 duizend. In mijn ogen een te grote groep om specifieke persoonlijkheidskenmerken aan toe te schrijven.
Een tweede manier van kijken naar hoogbegaafdheid komt van professionals uit de praktijk en gaat dus over het praktijkperspectief. Dit kunnen leerkrachten zijn, ouders, specialisten, hulpverleners, pedagogen en psychologen. Bij dit perspectief gaat het vaak over hoogbegaafde kinderen of volwassen met een hulpvraag. In mijn eigen praktijk kom ik dit vaak tegen: kinderen lopen op school vast en ouders of leerkracht hebben een hulpvraag. Tijdens de intake komen dan vaak onderwerpen als executieve vaardigheden, onderpresteren en ook gevoeligheid, perfectionisme en een grote behoefte aan autonomie een rol. Opvallend vaak zijn dit ook zeer creatieve kinderen die dikwijls moeite hebben met de schoolse vakken zoals rekenen of taal. Ook bij dit perspectief zijn de praktijk- en ervaringsgerichte modellen van hoogbegaafdheid heel waardevol. Ze zijn in de specifieke situatie en op het individu van toepassing, maar ook weer niet te generaliseren naar de hele groep hoogbegaafden. Bij leerkrachten merk ik ook nog een tweedeling op: enerzijds benoemen ze de hoogbegaafde kinderen die vastlopen met eigenschappen zoals hierboven benoemd zijn, maar anderzijds zien ze ook hoogbegaafde kinderen die het goed doen op school, die makkelijk leren, goed zijn in schoolse vakken en met extra ondersteuning en vaak ook een versnelling door de schooltijd heengaan.
Het derde perspectief komt vanuit de wetenschap. Er is de afgelopen honderd jaar heel veel onderzoek gedaan naar onderwerpen als intelligentie, hoogbegaafdheid en talentontwikkeling. Je ziet ook dat de wetenschap door de jaren heen anders is gaan kijken naar hoogbegaafdheid, de zogenaamde paradigma-shifts. Het begon allemaal met het gifted child paradigm, waarin hoogbegaafdheid gezien werd als een stabiele eigenschap zoals een hoog IQ. Iemand is hoogbegaafd en IQ en andere persoonskenmerken zoals perfectionisme worden aan elkaar verbonden. Dit geeft je vervolgens toegang tot een speciaal ontwikkeld en vaak exclusief onderwijsaanbod waarbij rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de asynchrone ontwikkeling van deze kinderen. Omdat het vanuit wetenschappelijk perspectief moeilijk is om kenmerken zoals perfectionisme toe te schrijven aan de hele groep IQ>130, heeft de wetenschap destijds langzaam een shift gemaakt naar het talent development paradigm. Dit denkkader kijkt breder dan alleen IQ en zet het identificeren van talent centraal. Begaafdheid wordt breed gedefinieerd en is gekoppeld aan specifieke talentdomeinen. Zo kan je begaafd zijn op bijvoorbeeld creatief vlak, sociaal, motorisch (sport) en ook intellectueel. Het is een ontwikkelingsperspectief waarbij aanleg door middel van een gericht ontwikkelingsproces ontwikkeld dient te worden tot talent. Hierbij gaat het veelal om zichtbare prestaties en is het voor bijvoorbeeld scholen van belang om een rijk aanbod te hebben in diverse talentdomeinen om aanleg te signaleren bij kinderen. Hoogbegaafdheid is dus geen eindpunt of statische eigenschap, maar een ontwikkelingsproces dat begint bij het signaleren van aanleg en eindigt bij het ontwikkelen van tot een talentvol individu in een bepaald domein. Hoogbegaafdheid ontstaat dus in interactie met de omgeving. Bekende modellen zijn die van Gagné, Renzulli. Heller & Ziegler en Subotnik zijn voortgekomen uit dit denkkader. Onderwerpen als creativiteit en motivatie spelen in veel van deze modellen een belangrijke rol. Een IQ met een grenswaarde van 130 komt eigenlijk niet meer ter sprake, terwijl het begrip intelligentie er in verschillende vormen vaak wel inzit. Omdat talent niet altijd zichtbaar is, terwijl het er in potentie wel in kan zitten, is het laatste wetenschappelijke paradigma ontstaan, het differentiation paradigm. Bij dit denkkader ligt de focus meer op het onderwijs zelf en minder op het individu of op prestaties. De ontwikkeling van alle leerlingen staat centraal en begaafdheid wordt gezien als onderwijsconcept dat de mate van mismatch tussen aanbod en behoefte in kaart brengt. Als een kind niet voorzien wordt in de leerbehoefte, dan moet het onderwijs iets doen om deze mismatch te verkleinen. Denk hierbij aan compacten, verrijken, versnellen, etc. Kortom, maatwerk. Van te voren wordt er nagedacht over hoe de leeromgeving zo kan worden ingericht, dat de leerling zich optimaal kan ontwikkelen. Er wordt maximaal gedifferentieerd in niveau, tempo, complexiteit, inhoud en ondersteuningswijze.
Deze drie perspectieven, persoonlijke ervaring, praktijkervaring en wetenschappelijke kennis helpen mij om breed te kijken naar hoogbegaafdheid en vooral naar wat er in het moment nodig is om te doen. Zo kan het bij een individuele hulpvraag zinvol zijn om intelligentie en bijvoorbeeld executieve vaardigheden en gevoeligheid in kaart te brengen omdat met deze gegevens antwoord kan worden gegeven op de hulpvraag en er advies kan worden gegeven waarmee ouders, kind en of leerkracht verder kunnen. Bij het opzetten van een plusklas kan het dan weer handiger zijn om hoogbegaafdheid te zien als een breed fenomeen waar talentontwikkeling en differentiatie een plek krijgen. En precies hierom heb ik niet een vast model of een specifieke visie. Juist de brede blik op verschillende perspectieven helpen mij om in een situatie of bij een bepaalde vraag te doen wat nodig is. Een brede kennisbasis met wetenschappelijke theorie, praktijkmodellen en persoonlijke ervaring helpen dan om te doen wat nodig is.
Is er dan niet één model dat mij meer aanspreekt dan andere modellen? Natuurlijk heb ik ook mijn voorkeuren. Zou houd ik ervan om de diepte in te gaan als het gaat over de theorie van positieve desintegratie van Dabrowski. Zeker in 1op1 gesprekken kan deze kennis veel puzzelstukjes op z'n plek doen vallen. Ook het triadisch model van Renzulli spreekt mij erg aan, maar vraagt ook om goede bestudering van zijn originele artikelen omdat het model omvangrijker is dan op eerste gezicht lijkt. Bovengemiddelde capaciteiten, dat wil zeggen bovengemiddelde intellectuele capaciteiten gecombineerd met domein specifieke talenten, creativiteit en een vorm van motivatie genaamd taakbetrokkenheid (als de taak aansluit op interesse!) moeten op de juiste manier met elkaar interacteren om hoogbegaafd gedrag (potentieel) tot uiting te laten komen. Dit zie je niet bij iedereen gebeuren en niet in elke situatie of context. Ondanks deze lichte voorkeur, blijft voor mij het belangrijkste om die kennis erbij te pakken, waar de specifieke situatie om vraagt.